2. Hoe word je gelukkig? (oud)

Voorbeeld: Epicurus over geluk

Een aantal filosofen heeft ook nagedacht over de vraag hoe je gelukkig kunt worden. Epicurus dacht bijvoorbeeld dat we het meest gelukkig worden wanneer we alle vervelende dingen uit de weg gaan en zoveel mogelijk leuke dingen doen. De stroming die hierbij hoort heet “hedonisme“. Volgens Epicurus moeten we zorgen dat we op twee manieren geen pijn hebben: geen lichamelijke pijn en geen geestelijke pijn. Om geen lichamelijke pijn te hebben moet je moet zorgen dat je gezond bent en dat je niet je knie stoot of van de trap valt. Maar je moet ook zorgen dat je geen “geestelijke pijn”‍‍‍ hebt; dat ‍‍‍je geen verdriet hebt en je geen zorgen maakt. Uiteindelijk ben je het meest gelukkig volgens Epicurus, als je helemaal rustig bent en je geen zorgen maakt.

Onderzoek: Epicurus over geluk

Denk jij ook dat je ongelukkig bent als je lichaam pijn doet? En ben je ongelukkig als je geest pijn doet? Waar word jij ongelukkig van en hoe zou je dat kunnen vermijden? Denk je dat het een goed idee is om te leven zoals Epicurus dat bedacht heeft?

Verdieping: Filosofen over geluk

Schrijf op wat deze uitspraken precies betekenen en wat de filosoof met die uitspraak bedoelt. Zoek het eventueel op. Ben je het ermee eens of niet?

  • “Je hebt een beetje geluk nodig om gelukkig te worden.” (Aristoteles)
  • “Het echte geluk is het onbeperkte gebruik van het verstand.” (Aristoteles)
  • “Het zou een hoofdelement van de opvoeding der jeugd moeten zijn haar te leren eenzaamheid te verdragen, daar deze een bron van geluk en gemoedsrust is.” (Schopenhauer)
  • “Een gezonde geest en een gezond lichaam is een korte doch volledige beschrijving van een gelukkige toestand in deze wereld.” (Locke)
  • “Geluk: een goede bankrekening, een goede kok, en een goede spijsvertering.” (Rousseau)
  • “Eén woord is soms al genoeg om het geluk van een mens te maken of te breken.” (Sophocles)
  • “Vraag jezelf of je gelukkig bent, en je zult het niet meer zijn.” (Schopenhauer)
  • “Gelukkig zijn is niet een ideaal van de rede, maar van de verbeelding.” (Kant)